Spoedgevallen campus Sint-Jan
050 45 20 00
Spoedgevallen campus Henri Serruys
059 55 51 01
Home >  Patiënten >  Patiëntenrechten

Patiëntenrechten

Overzicht

Bijlage: samenvatting van de beperkte folder, uitgegeven door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.

Recht op kwaliteitsvolle dienstverlening

Dit recht strekt ertoe aan iedere patiënt, met respect voor zijn/haar menselijke waardigheid en autonomie en zonder enig onderscheid, in zijn/haar rechtsverhouding met de beroepsbeoefenaar, een goede, zorgvuldige en kwaliteitsvolle gezondheidszorg te garanderen. De beroepsbeoefenaar dient zich te gedragen in overeenstemming met de zorgvuldigheidsnorm. Bovendien dienen de morele en culturele waarden en de religieuze en filosofische overtuigingen van welke aard ook gerespecteerd te worden.

Recht op vrije keuze van zorgverlener

Dit recht is een specifieke toepassing van het recht op zelfbeschikking. Het is van groot belang met het oog op het vertrouwen van de patiënt in de beroepsbeoefenaar. Door zijn/haar keuze te wijzigen kan de patiënt bovendien uiting geven aan zijn/haar onvrede over de behandeling. Het recht op vrije keuze is eerst en vooral van belang vóór het ogenblik dat er sprake is van een individuele rechtsverhouding van de patiënt met een beroepsbeoefenaar.

De patiënt wordt het recht toegekend om zelf te kiezen op welke beroepsbeoefenaar hij/zij een beroep doet. Dit principe houdt ook in dat de patiënt achtereenvolgens verschillende beroepsbeoefenaars kan contacteren om vervolgens vrij te kiezen met welke beroepsbeoefenaar hij/zij een rechtsverhouding wenst aan te gaan. Eveneens volgt uit dit recht op vrije keuze dat de beroepsbeoefenaar enkel met toestemming van de patiënt het engagement dat hij/zij met deze aanging, kan overdragen aan een andere beroepsbeoefenaar. De patiënt kan zijn/haar keuze steeds herzien en zich tot een tweede beroepsbeoefenaar wenden ('second opinion'). Het principe van vrije keuze kan beperkt worden door de wet (beperkende regelingen in het kader van de arbeidsgeneeskunde, in de arbeidsongevallenwetgeving, ...).

Recht op informatie over de gezondheidstoestand

De patiënt heeft het recht om die informatie te ontvangen waardoor hij/zij een inzicht krijgt in zijn/haar gezondheidstoestand en de vermoedelijke evolutie ervan (art. 7 § 1). Dit recht bestaat op zichzelf, zonder dat er sprake hoeft te zijn van een voorgenomen behandeling. De patiënt heeft enkel recht op informatie met betrekking tot hemzelf/haarzelf. De wijze van informatieverstrekking dient aangepast te worden aan de individuele patiënt. Dit betekent dat de communicatie met de patiënt moet gebeuren in een voor hem/haar duidelijke en verstaanbare taal. De informatie wordt in principe mondeling verschaft maar kan op verzoek van de patiënt, na eerst mondeling te zijn verstrekt, schriftelijk worden bevestigd door de beroepsbeoefenaar.

De patiënt kan ervoor kiezen dat de informatie eveneens aan een vertrouwenspersoon wordt meegedeeld, bijvoorbeeld wanneer hij/zij zich in een palliatieve fase bevindt of in het geval van een chronische patiënt die een andere chronische patiënt, bijvoorbeeld een lid van een zelfhulpgroep met jarenlange ervaring, aanwijst als vertrouwenspersoon. Het is niet noodzakelijk een bepaalde procedure te volgen voor de aanduiding van de vertrouwenspersoon, zoals het geven van een mandaat. Tussen de patiënt en de vertrouwenspersoon ontstaat een stilzwijgende overeenkomst die te goeder trouw uitgevoerd moet worden. Tussen de beroepsbeoefenaar en de vertrouwenspersoon ontstaat er geen rechtsverhouding en alle rechten van de patiënt worden door de patiënt zelf uitgeoefend.

Het recht van de patiënt om niet te weten heeft algemene erkenning gekregen en bijgevolg kan deze er uitdrukkelijk om verzoeken om niet op de hoogte gebracht te worden van zijn/haar gezondheidstoestand. Om achteraf discussies te voorkomen, wordt het verzoek van de patiënt opgetekend in of toegevoegd aan het patiëntendossier. Ondanks de uitdrukkelijke wens van de patiënt om niet te worden geïnformeerd, kan de beroepsbeoefenaar de patiënt toch informeren over zijn/haar gezondheidstoestand, nadat de beroepsbeoefenaar hierover een andere beroepsbeoefenaar heeft geraadpleegd. Een patiënt die bijvoorbeeld lijdt aan een besmettelijke aandoening, maar daar zelf niet van op de hoogte is, kan daardoor de gezondheid van zichzelf en derden ernstig in gevaar brengen. Het afwegen van gezondheidsbelangen door de beroepsbeoefenaar moet in ruime zin begrepen worden (fysiek, psychisch en sociaal welzijn). Ook wanneer de gezondheidstoestand van de patiënt ronduit negatief is, geldt het recht van de patiënt op informatie. Uitzonderlijk moet informatie over de gezondheidstoestand en de prognose niet worden meegedeeld (therapeutische exceptie). Deze therapeutische exceptie kan een tijdelijk aspect hebben: van het ogenblik dat het gevreesde nadeel is opgeheven moet de beroepsbeoefenaar de gevoelige informatie toch meedelen

Er moet aan een aantal voorwaarden voldaan worden opdat de beroepsbeoefenaar informatie aan de patiënt mag onthouden:

  • Het meedelen van de informatie zal klaarblijkelijk ernstig nadeel voor de gezondheid van de patiënt met zich meebrengen;
  • De beroepsbeoefenaar heeft een andere beroepsbeoefenaar geraadpleegd;
  • De beroepsbeoefenaar voegt een schriftelijke motivering toe aan het patiëntendossier en licht de vertrouwenspersoon in, indien die werd aangewezen.

Recht op toestemming

De patiënt heeft het recht om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar. (art. 8 § 1) De toestemming van de patiënt wordt vereist voor elke tussenkomst van de beroepsbeoefenaar in het kader van zijn/haar relatie met de patiënt. De relatie patiënt - beroepsbeoefenaar wordt gekenmerkt door een continu geven van toestemming door de patiënt voor elke tussenkomst van de beroepsbeoefenaar.

In principe moet de toestemming uitdrukkelijk gegeven worden door de patiënt, behalve indien de beroepsbeoefenaar, na de patiënt voldoende te hebben geïnformeerd, uit de gedragingen van de patiënt redelijkerwijze zijn/haar toestemming kan afleiden (non-verbale toestemming). De patiënt heeft het recht te vragen om zijn/haar toestemming schriftelijk vast te leggen en toe te voegen aan het patiëntendossier. Ook de beroepsbeoefenaar wordt dit recht toegekend, op voorwaarde dat de patiënt hiermee akkoord gaat. Wanneer de patiënt een geschreven toestemming weigert terwijl de beroepsbeoefenaar een geschrift noodzakelijk vindt, dan kan die weigering in het patiëntendossier worden genoteerd.

De inhoud van de informatie die verstrekt moet worden aan de patiënt met het oog op het verlenen van zijn/haar toestemming heeft betrekking op:

  • Het doel (tussenkomst met diagnostisch of therapeutisch karakter)
  • De aard (pijnlijk, invasief)
  • De graad van urgentie
  • De duur
  • De frequentie
  • De voor de patiënt relevante tegenaanwijzingen, nevenwerkingen en risico's verbonden aan de tussenkomst
  • De nazorg
  • De mogelijke alternatieven
  • De financiële gevolgen
  • De mogelijke gevolgen in het geval van weigering of intrekking van de toestemming
  • Andere relevant geachte verduidelijkingen
  • De gezondheidstoestand van de patiënt (zie art. 7)

De informatie moet tijdig en voorafgaandelijk aan elke tussenkomst verstrekt worden.

De patiënt heeft het recht zijn/haar toestemming te weigeren en kan een eerder gegeven toestemming intrekken. De beroepsbeoefenaar heeft niet het recht om zonder toestemming de patiënt te behandelen. De weigering of intrekking van de toestemming heeft niet automatisch tot gevolg dat de rechtsverhouding tussen de patiënt en de beroepsbeoefenaar ophoudt te bestaan. Bijgevolg behoudt de patiënt het recht op kwaliteitsvolle dienstverstrekking.

De voorafgaande wilsverklaring, waarin een wilsbekwame patiënt een welbepaalde behandeling weigert, is van bindende aard, en dit zolang hij/zij ze niet herroept op een moment dat hij/zij in staat is zelf zijn/haar rechten uit te oefenen.

Een voorafgaande en een actuele uitgedrukte weigering impliceren dat de beroepsbeoefenaar niet gerechtigd is om te handelen en dat hij/zij deze de weigering dient te respecteren.

Wat spoedgevallen betreft, is het niet steeds mogelijk dat de patiënt of zijn/haar vertegenwoordiger voor elke tussenkomst van de beroepsbeoefenaar zijn/haar toestemming geeft. Hier moet vooreerst rekening gehouden worden met de duidelijke, al dan niet voorafgaandelijk uitgedrukte wil van de patiënt of zijn/haar vertegenwoordiger. Bestaat hieromtrent geen duidelijkheid, dan voert de beroepsbeoefenaar onmiddellijk elke noodzakelijke tussenkomst uit in het belang van de patiënt als toepassing van artikel 422 bis van het Strafwetboek. De beroepsbeoefenaar dient nadien in het patiëntendossier te vermelden dat zijn/haar tussenkomst gebeurde zonder toestemming omdat het om een spoedgeval ging. Van zodra het mogelijk is, moeten de informatie- en toestemmingsverplichting nageleefd worden.

Rechten in verband met het patiëntendossier

De patiënt heeft recht op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiëntendossier. Wat betreft de normen waaraan het patiëntendossier moet voldoen, kan verwezen worden naar het KB van 3 mei 1999 betreffende het algemeen medisch dossier en het KB van 3 mei 1999 over de bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waaraan het medisch dossier, bedoeld in artikel 15 van de wet op de ziekenhuizen, dient te voldoen.

De patiënt kan de beroepsbeoefenaar verzoeken om bepaalde documenten toe te voegen aan het patiëntendossier.

De patiënt heeft het recht om rechtstreeks, zonder tussenkomst van een derde, zijn/haar dossier in te kijken. Hij/zij kan zich wel laten bijstaan door of zijn/haar inzagerecht uitoefenen via een door hem/haar aangewezen vertrouwenspersoon die al dan niet beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg is. Aan het verzoek van de patiënt tot inzage in het hem/haar betreffend patiëntendossier moet zo spoedig mogelijk gevolg gegeven worden, namelijk binnen de 15 dagen na ontvangst van het verzoek.

Van inzage worden uitdrukkelijk uitgesloten: de persoonlijke notities van de beroepsbeoefenaar evenals de gegevens die betrekking hebben op een derde. Indien de patiënt toch de persoonlijke notities ter inzage wenst te zien, dient hij/zij zijn/haar inzagerecht op een onrechtstreekse wijze uit te oefenen, met name door een beroep te doen op een beroepsbeoefenaar.

De patiënt heeft eveneens het recht op een afschrift van (een gedeelte van) zijn/haar patiëntendossier (kopie, diskette, e-mailbericht, een met de hand geschreven afschrift)
Dit recht op afschrift is gebonden aan de betaling van de werkelijke kostprijs van het afschrift. De beroepsbeoefenaar kan een afschrift weigeren indien hij/zij duidelijke aanwijzingen heeft dat de patiënt door derden onder druk wordt gezet om een afschrift van zijn/haar patiëntendossier te verkrijgen.

Onder strikte voorwaarden hebben ook de directe verwanten van een overleden patiënt het recht op inzage van het patiëntendossier. De voorwaarde is dat de patiënt zich bij leven niet uitdrukkelijk heeft verzet tegen inzage door zijn/haar nabestaanden in het algemeen of door één of meerdere nader door hem/haar aangeduide perso(o)n(en) ervan. Wat de kring van nabestaanden betreft die inzage kunnen vragen, is er een beperking: enkel de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten tot en met de tweede graad kunnen het patiëntendossier inkijken.

Het verzoek tot inzage vanwege de nabestaanden moet voldoende gemotiveerd en gespecificeerd zijn. Bovendien gebeurt de inzage steeds onrechtstreeks via een door de patiënt aangewezen beroepsbeoefenaar die ook uitzonderlijk inzage heeft in de persoonlijke notities.

Recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer

De patiënt heeft recht op bescherming van zijn/haar persoonlijke levenssfeer bij iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar en in het bijzonder met betrekking tot de informatie die verband houdt met zijn/haar gezondheid. Het recht op bescherming van de intimiteit van het privé-leven met betrekking tot de gezondheid wordt met andere woorden erkend als een volwaardig patiëntenrecht. De patiënt heeft ook het recht op ruimtelijke privacy. De lokalen waarin de tussenkomst van de beroepsbeoefenaar plaatsvindt, moeten de nodige intimiteit voor de patiënt waarborgen. Bovendien mogen bij de tussenkomst van de beroepsbeoefenaar enkel die personen aanwezig zijn wiens aanwezigheid beroepshalve vereist is.

De tweede paragraaf van artikel 10 voorziet in een inmengingsverbod met betrekking tot de uitoefening van dit recht. In uitzonderlijke omstandigheden wordt inmenging toch toegestaan indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan:

  • De inmenging moet bij wet voorzien zijn;
  • De inmenging dient verantwoord te zijn door een legitiem doel;
  • Bescherming van de volksgezondheid;
  • Bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Recht op klachtenbemiddeling

Artikel 11 § 1 bepaalt dat de patiënt het recht heeft klacht neer te leggen bij de bevoegde ombudsfunctie in verband met de uitoefening van zijn/haar rechten zoals omschreven in dit wetsontwerp.

Op die manier wordt aan de patiënt de garantie geboden dat zijn/haar klacht naar aanleiding van een tussenkomst van een beroepsbeoefenaar wordt opgevangen en dat daaromtrent bemiddelend wordt opgetreden door een ombudsfunctie. We stellen immers vast dat een patiënt vaak niet weet aan wie hij zijn/haar probleem dient voor te leggen en bijgevolg ook geen enkele actie onderneemt. Een patiënt die wel actie onderneemt, krijgt dikwijls weinig gehoor. Gerechtelijke procedures slepen bovendien lang aan, zijn kostelijk, gaan gepaard met een moeilijke bewijsvoering en zijn zelden probleemoplossend.

De ombudsfunctie krijgt vijf opdrachten toegekend:

  • Voorkomen van vragen en klachten door de bevordering van de communicatie tussen de patiënt en de beroepsbeoefenaar. De ombudsfunctie zal bij iedere uiting van ongenoegen vanwege een patiënt deze ertoe aansporen om met de betrokken beroepsbeoefenaar contact op te nemen. Dit is echter niet verplichtend.
  • Bemiddelen omtrent de klachten zoals bedoeld in art. 11 § 1 om een oplossing te bereiken. Deze oplossing vertoont weliswaar geen bindend karakter.
  • Wanneer geen oplossing wordt bereikt, dient de ombudsfunctie de patiënt in te lichten inzake de verdere mogelijkheden tot afhandeling van zijn/haar klacht.
  • De ombudsfunctie dient informatie te verstrekken over de eigen organisatie, de werking en de procedureregels.
  • De ombudsfunctie dient ten slotte aanbevelingen te formuleren om de herhaling van de tekortkomingen die aanleiding gaven tot de klachten te voorkomen.

Om de onafhankelijke werking van de ombudsfunctie te kunnen garanderen en haar aanvaardbaar te maken voor enerzijds de beroepsbeoefenaars en anderzijds de patiënten (die het nut van een beroep op een ombudsfunctie maar zullen inzien indien ze de indruk hebben dat de ombudsfunctie onafhankelijk optreedt) moeten de voorwaarden voor haar onafhankelijke werking geregeld worden door de Koning bij een in ministerraad overlegd KB.
Er wordt bij het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu een Federale commissie voor de Rechten van de Patiënt opgericht. Het is de bedoeling dat deze commissie de voorziene rechten van de patiënt voortdurend evalueert en eventueel aanpast.
De commissie heeft onder meer tot taak om klachten te behandelen inzake de werking van een ombudsfunctie Ze vormt een soort aanspreekpunt voor de ombudsfuncties en tegelijkertijd kan zij ook klachten behandelen over de werking ervan. De commissie is evenwel geen beroepsinstantie in verband met individuele klachten die aan die ombudsfunctie worden voorgelegd.

Vertegenwoordiging van de patiënt

Algemeen beschouwd zijn patiëntrechten persoonlijkheidsrechten die door de betrokken patiënt zelf uitgeoefend moeten worden indien hij/zij daartoe de bekwaamheid bezit. De vraag rijst wie de rechten van de patiënt uitoefent indien deze laatste nog niet (minderjarigen) of niet meer (bijvoorbeeld dementerende patiënten) bekwaam is. In het geval van een minderjarige patiënt worden zijn/haar rechten uitgeoefend door de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen of door de voogd indien de minderjarige geen ouders heeft die het gezag over hem/haar kunnen uitoefenen. De minderjarige patiënt mag niet volledig buitenspel worden gezet. Afhankelijk van zijn/haar leeftijd en graad van ontwikkeling dient de patiënt betrokken te worden bij de uitoefening van de rechten. Zo is het mogelijk dat de beroepsbeoefenaar vaststelt dat de minderjarige, ondanks zijn/haar juridisch volledige handelingsonbekwaamheid toch bekwaam is om zelf zijn/haar rechten inzake gezondheid uit te oefenen en dus zonder tussenkomst van zijn/haar ouders of voogd.

De rechten van de meerderjarige handelingsonbekwame patiënt (statuut van verlengde minderjarigheid of onbekwaamheidsverklaring) worden uitgeoefend door de ouders, die het gezag over de verlengd minderjarige uitoefenen, of door de voogd. Ook deze patiënten dienen zoveel mogelijk bij de uitoefening van de rechten te worden betrokken, in verhouding tot hun begripsvermogen.

De rechten van een meerderjarige patiënt, die niet valt onder een van bovenvermelde statuten, worden uitgeoefend door een persoon die door de patiënt voorafgaandelijk is aangewezen om in zijn/haar plaats op te treden (de door de patiënt benoemde vertegenwoordiger) indien en zolang als hij/zij niet in staat is deze rechten zelf uit te oefenen, hetgeen beoordeeld wordt door de beroepsbeoefenaar. In tegenstelling tot de vertrouwenspersoon betreft het hier niet een persoon die de patiënt bijstaat bij de uitoefening van zijn rechten maar wel een persoon die de rechten van de patiënt uitoefent.

Voor de aanduiding van de vertegenwoordiger wordt een formele procedure voorzien, namelijk aanwijzing bij gedagtekend en door de patiënt en de vertegenwoordiger ondertekend schriftelijk mandaat. Herroeping van het mandaat door de patiënt of door de door hem/haar benoemde vertegenwoordiger is mogelijk als dit via een gedagtekend en ondertekend geschrift gebeurt. Indien de patiënt zelf geen vertegenwoordiger aanwijst, treedt een naaste verwant van de patiënt op als zijn/haar vertegenwoordiger (de informele vertegenwoordiger, zijnde: de samenwonende echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner of feitelijk samenwonende partner). Wanneer de persoon die als informele vertegenwoordiger in aanmerking komt dit niet wenst te doen of ontbreekt, dan worden de rechten in dalende volgorde uitgeoefend door een meerderjarig kind, een ouder, een meerderjarige broer of zus. Ontbreken of wensen ook deze personen dit niet te doen of is er een conflict tussen de betrokkenen, dan behartigt de beroepsbeoefenaar de belangen van de patiënt, hetgeen kan betekenen dat deze een behandeling zonder toestemming van de patiënt of een vertegenwoordiger toedient.

Er wordt uitdrukkelijk voorzien dat er multidisciplinair moet worden overlegd. Ook hier dient de patiënt zoveel als mogelijk en in verhouding met zijn/haar begripsvermogen betrokken te worden bij de uitoefening van zijn/haar rechten (bijvoorbeeld in welbepaalde heldere momenten).

De bedoelde vertegenwoordigers zijn bevoegd om alle rechten van de patiënt uit te oefenen. Zo heeft de vertegenwoordiger namens de patiënt in principe rechtstreeks inzage in het gehele dossier van de patiënt. Niettemin heeft de beroepsbeoefenaar de mogelijkheid om met het oog op de bescherming van de intimiteit en de privacy van de patiënt geheel of gedeeltelijk niet in te gaan op het verzoek van een vertegenwoordiger om inzage in of een afschrift van het dossier van de patiënt te krijgen, behalve wanneer de vertegenwoordiger een beroepsbeoefenaar heeft aangeduid om inzage te nemen of een afschrift te bekomen. Er moet van uitgegaan worden dat iedere vertegenwoordiger, bij het nemen van beslissingen omtrent de medische behandeling van de wilsonbekwame, zich laat leiden door wat de patiënt zou hebben gewild. Kan deze wil niet achterhaald worden, dan moet men ervan uitgaan dat de patiënt datgene zou hebben gewild dat het meest in zijn/haar belang is. Wanneer de beroepsbeoefenaar meent dat de beslissing van de vertegenwoordiger van de patiënt niet in het belang is van de patiënt, omdat ze een bedreiging vormt voor zijn/haar gezondheid, kan deze na multidisciplinair overleg afwijken van de beslissing die genomen werd door een wettelijke vertegenwoordiger of een informele vertegenwoordiger. Wanneer een door de patiënt benoemde vertegenwoordiger een beslissing neemt die klaarblijkelijk niet in het belang is van de patiënt, dan wijkt de beroepsbeoefenaar daarvan slechts af in de mate dat deze vertegenwoordiger zich niet kan beroepen op een uitdrukkelijke wilsverklaring van de patiënt in verband met deze beslissing. Een voorafgaandelijk opgestelde schriftelijke weigering (zie art 8 § 4, tweede lid) moet worden gerespecteerd los van de vraag of er een vertegenwoordiger is, onafhankelijk van de categorie waartoe deze vertegenwoordiger behoort.

Reglement inzake autopsie, orgaantransplantatie en weefselresten

Op vraag van de behandelende arts kan na het overlijden een onderzoek van de organen plaatsvinden, onder andere omwille van wetenschappelijke of therapeutische redenen. Wegname van organen en weefsels bij een overleden persoon, met de bedoeling deze organen en weefsels te transplanteren, zal enkel gebeuren indien voldaan is aan de wettelijke voorschriften. De verwanten van de eerste graad of de wettelijke vertegenwoordiger van de overleden persoon zullen op de hoogte gebracht worden van de intentie om organen voor transplantatie weg te nemen. Bloed- en weefselresten kunnen -in plaats van vernietigd te worden- aangewend worden voor wetenschappelijk onderzoek of kwaliteitsdoeleinden (cfr. wet van 19 december 2008 inzake menselijk lichaamsmateriaal).

Wet op de patiëntenrechten - vroegtijdige zorgplanning - palliatief supportteam

Bij de zorgverstrekking is het overleg met de patiënt fundamenteel, u participeert mee in uw zorgverlening. De arts-patiënt relatie is een vertrouwensrelatie, beschermd door het medisch geheim. Er kan informatie aan partner of famlieleden gegeven worden zo u dit uitdrukkelijk toestaat, best in uw bijzijn. Zo er geen communicatie meer mogelijk is, bv. door coma of dementie, voorziet de wet op de patiëntenrechten met wie het gesprek gevoerd wordt. De wet op de patiëntenrechten van 22 augustus 2002 reguleert de rechten van de patiënt. De brochure 'ken uw rechten als patiënt' kan u krijgen bij uw arts, bij de dienst medisch maatschappelijk werk en ombudsdienst of terugvinden op het internet: http://www.vlaamspatientenplatform.be en http://www.health.fgov.be/vesalius . Hierin staat ook wat een vertegenwoordiger is, wat een vertrouwenspersoon is en zijn er documenten ingesloten om deze aan te duiden. Ondanks de wetgeving omtrent de rechten van de patiënt, palliatieve zorg en euthanasie, kunnen patiënten met vragen blijven zitten. Voor bepaalde problemen die zich in individuele gevallen kunnen voordoen, is er niet altijd een duidelijk, pasklaar antwoord. De huidige geneeskunde voorziet vandaag in grote mogelijkheden bij diagnose en behandeling om levens te redden en het leven te behouden. Nochtans, geconfronteerd met patiënten in het laatste stadium van hun ziekte, rijst de vraag of het niet gerechtvaardigd is of zelfs aangewezen is om niet alle levensreddende maatregelen toe te passen en eerder te opteren voor optimaal comfort van de patiënt. Wat u dan zelf daarover voelt, is zeer belangrijk. Spreek daar desgevallend nu of toch tijdig over, zodat één en andere daarover kan besproken en behartigd worden eventueel ook met of door uw vertegenwoordiger en bijgehouden worden in uw dossier. Uw arts en verzorgend team laten u dan immers niet in de steek; wanneer zich dergelijke vraag naar nut of nutteloosheid voordoet. U kunt steeds terecht bij hen en/of het palliatief/supportief team (t: 050 45 21 90) en uw huisarts.